ESB Onderwijs & Wetenschap
ONDERWIJS
& WETENSCHAP
Ouderbetrokkenheid
beïnvloedt leerprestaties
Betrokkenheid van ouders bij het onderwijs van hun kind is van
invloed op leerprestaties en verlaagt het risico dat ze blijven zitten.
Ook blijken vaders minder actief betrokken dan moeders, terwijl
gezamenlijke ouderbegeleiding de leerprestaties aanzienlijk verbetert. Dit pleit voor beleidsmaatregelen die de betrokkenheid van
vaders stimuleren bij het leerproces van de kinderen.
SOFIE
CABUS
Universitair docent
aan de Universiteit
Maastricht
ROEL
ARIËS
Promovendus aan
de Universiteit
Maastricht
266
O
uderbetrokkenheid in het primair (PO)
en voortgezet (VO) onderwijs staat hoog
op de beleidsagenda. Zo investeert het
Ministerie van OCW tussen 2014–2018
één miljoen euro in onderzoek naar de
bevordering van ouderbetrokkenheid bij de school om de
ontwikkeling van kinderen te stimuleren. In het buitenland
wordt ingezet op vergelijkbaar beleid ten behoeve van ouderbetrokkenheid. Het Britse ministerie van onderwijs vaardigt
richtlijnen uit over hoe ouders meer betrokken kunnen zijn
bij het leerproces van hun kinderen en President Obama
onderstreept de behoete in de Verenigde Staten aan onderwijsbeleid dat zich in het bijzonder richt op ouders en hun
kinderen (US Department of Education, 2010).
De toegenomen belangstelling in ouderbetrokkenheid
als beleidsinstrument komt voort uit het idee dat er een
positief verband bestaat tussen een thuisklimaat dat complementair is aan het schoolklimaat, en de leerprestaties
van kinderen. De internationale wetenschappelijke literatuur geet echter geen eenduidige aanwijzingen of meer ouderbetrokkenheid de prestaties van kinderen daadwerkelijk
verbetert (Fan en Chen, 2001; Patall et al., 2008, Avvisati et
al., 2010). De resultaten zijn soms positief, soms negatief,
en soms niet-signiicant. Hieraan liggen twee belangrijke
redenen ten grondslag.
Ten eerste ligt de focus van de internationale litera-
tuur met betrekking tot ouderbetrokkenheid op de relatie
met de gezinsgrootte en het beroep of sociaal-economische
status van de ouders, en niet op leerprestaties. Er wordt gesteld dat ouders bij gezinsuitbreiding hun aandacht moeten
verdelen over meerdere kinderen. Hierdoor zijn ze minder
betrokken bij het jongste kind dan ooit het geval was bij
het oudste kind. Om toch meer tijd te kunnen doorbrengen met de kinderen, en als zodanig de schoolprestaties te
stimuleren, zal een van beide partners of allebei een nieuwe
balans moeten vinden tussen werk en gezin. Er wordt dan
een afweging gemaakt tussen hoogte van het inkomen en te
besteden uren met het gezin. De literatuur verwijst in dit
verband naar het kwantiteit-kwaliteit-model (Becker en
Lewis, 1974; Angrist en Evans, 1998, Angrist et al., 2010)
waarin gezinsuitbreiding (kwantiteit) een negatieve impact
heet op de prestaties van de jongere kinderen (kwaliteit).
Ten tweede is onderzoek naar ouderbetrokkenheid en
leerprestaties vaak conceptueel of correlationeel van aard
(Epstein, 1995; Phtiaka, 1996).
Empirisch bewijs voor de oorzakelijke relatie tussen
ouderbetrokkenheid en leerprestaties is uitermate schaars.
Kennis hierover is belangrijk om beleidsmaatregelen
gericht op het stimuleren van ouderbetrokkenheid te ondersteunen. Dit geet aanleiding tot de vraag wat de efecten zijn van ouderbetrokkenheid op leerprestaties.
METHODE EN DATA
We onderzoeken het verband tussen ouderbetrokkenheid
en leerprestaties en streven daarbij naar een oorzakelijke
interpretatie van onze resultaten. Dit is belangrijk, omdat
de resultaten van correlationeel onderzoek vertekend kunnen zijn door endogeniteit en omgekeerde causaliteit. Ten
aanzien van de endogeniteit kan gesteld worden dat er veel
overlappende determinanten zijn van ouderbetrokkenheid
en leerprestaties die de resultaten kunnen beïnvloeden, zoals inkomen en sociaal-economische status van het gezin.
Daardoor wordt het moeilijk te achterhalen of positieve
Jaargang 100 (4709) 7 mei 2015
Onderwijs & Wetenschap ESB
efecten van ouderbetrokkenheid op leerprestaties worden veroorzaakt door de extra tijd die ouders in hun kind
investeren, dan wel door andere omgevingsfactoren die
tevens van invloed zijn op schoolsucces. Van omgekeerde
causaliteit is sprake wanneer slechte leerprestaties de betrokkenheid van ouders verhogen. Indien dit het geval is,
wordt er een negatief verband tussen ouderbetrokkenheid
en leerprestaties geschat, hetgeen foutief tot de conclusie
kan leiden dat extra tijdsinvesteringen leiden tot slechtere
prestaties op school.
Om dit zo veel mogelijk te vermijden, maken we gebruik van de bestaande kennis over het kwantiteit-kwaliteit-model. In het bijzonder wordt voorgesteld om gebruik
te maken van de relatie tussen geboortevolgorde en ouderbetrokkenheid. De verschillende tijdsinvesteringen van
de ouders in hun kinderen, die ontstaan doordat een kind
een andere rangorde heet in het gezin, wordt met andere
woorden gebruikt als een instrument dat de endogeniteit
neutraliseert: elk geschatte efect van ouderbetrokkenheid
op leerprestaties komt doordat kinderen een verschillende
mate van ouderbetrokkenheid genieten naargelang hun geboortevolgorde. Anders gezegd, het instrument geboortevolgorde beïnvloedt leerprestaties enkel via de verschillende mate van ouderbetrokkenheid – er is geen signiicant
verband tussen geboortevolgorde en leerprestaties.
Zo wordt ook het omgekeerde efect van leerprestaties op ouderbetrokkenheid geneutraliseerd. Deze aanpak
komt overeen met de strategie waarin gewerkt wordt met
instrumentele variabelen (IV) (Angrist et al., 1996). De
analyse werd gemaakt aan de hand van de VOCL-vragenlijsten (Voortgezet Onderwijs Cohort Leerlingen) die
informatie over ouderbetrokkenheid, geboortevolgorde,
prestaties op school (Cito-entreetoets en zittenblijven), en
vele andere oorzakelijke factoren van prestaties bevat (Cabus en Ariës, 2014). De enquêtes werden afgenomen onder
9126 twaaljarigen, die in 1999–2000 de overgang van PO
naar VO maakten, en hun ouders.
Ouderbetrokkenheid werd gemeten aan de hand van
twee maatstaven: actieve betrokkenheid van ouders in huiswerk en passieve ouder-kind-communicatie over de school.
De actieve vorm van ouderbetrokkenheid vraagt een daad-
Relatie tussen geboortevolgorde
en ouderbetrokkenheid
TABEL 1
Controlevariabelen
Nee
Ja
Tweede kind
-0,136 ***
-0,133 ***
Derde kind
-0,177 ***
-0,166 ***
Vierde kind
-0,218 ***
-0,199 ***
Aantal kinderen
-0,042 ***
-0,031 ***
Eerste kind=referentie
Aantal klassen
Aantal observaties
721
721
9.126
9.126
*** Signiicant op eenprocentsniveau
Bron: VOCL
Jaargang 100 (4709) 7 mei 2015
werkelijke tijdsinvestering van ouders, terwijl de passieve
vorm eenvoudig tijdens het avondeten of voor het slapengaan kan plaatsvinden. Voor de analyse wordt er een samengestelde index van de onderliggende vragen met betrekking
tot de twee maatstaven gecreëerd door middel van factoranalyse, waarna een gestandaardiseerde index overblijt voor
zowel de actieve als de passieve ouderbetrokkenheid.
Informatie over geboortevolgorde en gezinsgrootte is
cruciaal om onze IV-strategie uit te voeren. We observeren
dat 49 procent van de 9126 kinderen het eerstgeboren kind
is. 31 procent is het tweede kind, 12 procent het derde kind
en 6 procent het vierde kind. Alle kinderen in de data zijn
akomstig uit verschillende gezinnen. Op die manier houden de analyses alleen rekening met verschillen tussen de
gezinnen (en niet binnen het gezin) wat betret ouderbetrokkenheid naargelang de geboortevolgorde.
RESULTATEN
De uitkomstvariabelen zijn gestandaardiseerd om de resultaten te interpreteren als efectgrootten. De efectgrootten
worden geïnterpreteerd als: <0,5 (klein); 0,5–0,8 (middelgroot); >0,8 (groot). Eerst zijn verbanden geschat met
behulp van de OLS-schatter. Deze resultaten tonen aan dat
er inderdaad redenen tot ongerustheid zijn over het voorkomen van endogeniteit en omgekeerde causaliteit. We schatten kleine negatieve verbanden tussen ouderbetrokkenheid
en leerprestaties. Het negatieve teken van de geschatte verbanden verandert niet na opname van controlevariabelen in
de regressie. Dit betekent dat een toename van zowel actieve
als passieve vormen van ouderbetrokkenheid met één standaarddeviatie leidt tot lagere leerprestaties.
Vervolgens worden de resultaten van de IV-strategie
gepresenteerd. Om na te gaan of er daadwerkelijk goed
gecontroleerd werd voor endogeniteit middels het mechanisme van de geboortevolgorde, worden er controlevariabelen gebruikt: aantal kinderen in het gezin; leetijd van het
kind; geslacht; geboorteland; burgerlijke status; scholing
van de ouders; inkomen van het gezin; religieuze achtergrond; cultuur en taal van de ouders. Het is in het bijzonder belangrijk om te controleren voor het aantal kinderen
in het gezin ter controle van de endogeniteit omdat dit iets
zegt over beslissingen van de ouders die van invloed zijn
op geboortevolgorde en die mogelijk samenhangen met
de leerprestaties van de kinderen. Deze controlevariabelen
worden opgenomen in zowel de eerste stap (tabel 1) als de
tweede stap (tabel 2) van de IV- strategie.
Allereerst bespreken we de resultaten met betrekking
tot de relatie tussen geboortevolgorde en ouderbetrokkenheid (tabel 1). Er bestaan inderdaad kleine (monotone)
negatieve verbanden tussen gezinsuitbreiding en de tijdsinvestering van de ouders. Bovendien identiiceert geboortevolgorde de mate van ouderbetrokkenheid sterk (LMstatistiek = 37.771; signiicant op eenprocentsniveau),
en beïnvloedt het instrument geboortevolgorde alleen de
leerprestaties via ouderbetrokkenheid (Hansens J Statistiek
= 3.560; niet-signiicant op tienprocentsniveau). Dit toont
aan dat geboortevolgorde een goed instrument (otewel
exogeen) is.
Aan de hand van vijf verschillende modellen in tabel 2
wordt samengevat of de tijd die ouders in de eerstgeborene
267
ESB Onderwijs & Wetenschap
Effecten van ouderbetrokkenheid op leerprestaties
via geboortevolgorde
Model 1
Volledig
Wiskunde
Betrokkenheid
0,649***
huiswerk
Ouder-kind
0,736***
communicatie
Taal
Betrokkenheid
1,021***
huiswerk
Ouder-kind
0,854***
communicatie
Informatieverwerking
Betrokkenheid
1,371***
huiswerk
Ouder-kind
1,195***
communicatie
Zittenblijven
Betrokkenheid
-0,351**
huiswerk
Ouder-kind
-0,332**
communicatie
Aantal
observaties
9.126
Model 2
Kindtal > 1
Model 3
Beide
ouders
Model 4
Enkel
moeder
TABEL 2
Model 5
Enkel
vader
0,638***
0,757***
0,587 **
-0,276
0,686***
0,540***
0,783 **
-0,299
1,030***
1,069***
0,999 ***
-0,307
0,964***
0,562**
1,003 **
-0,231
1,364***
1,338***
1,318 ***
-0,240
1,268***
0,840***
1,322 ***
0,342
-0,325**
-0,402**
-0,310
-0,385
-0,300 ***
-0,317 *
-0,368
-0,532
4.619
4.438
3.879
378
*/**/*** Signiicant op tien-,. vijf- en eenprocentsniveau
Bron: VOCL
investeren, ten opzichte van de tijdsinvesteringen in de jongere kinderen van het gezin, leidt tot hogere leerprestaties.
Model 1 presenteert de geschatte coëiciënten voor de volledige steekproef. Model 2 houdt enkel gezinnen in de analyse die meer dan één kind hebben. Modellen 3 tot en met
5 betrefen de invloed van de betrokkenheid van de ouder
die de (meeste) beslissingen over onderwijs neemt. Actieve
huiswerkbegeleiding en passieve ouder-kind-communicatie
hebben een belangrijke signiicante invloed op de toename
van leerprestaties. Huiswerkbegeleiding is efectiever dan
ouder-kind-communicatie over de school, hoewel beide
maatstaven bijdragen tot hogere leerprestaties.
De grootste efecten worden vastgesteld voor de Citotoetsen die de vaardigheden van kinderen met betrekking
tot informatieverwerking meten. Er worden middelgrote
efecten geschat voor wiskunde, en grote efecten voor taal.
Meer ouderbetrokkenheid heet ook signiicante kleine
negatieve efecten op zittenblijven (model 1). De resultaten blijven robuust wanneer eenkindgezinnen buiten beschouwing worden gelaten (model 2). Bovendien speelt de
moeder een belangrijke rol bij het creëren van een schoolondersteunend thuisklimaat (model 4). Maar als beide ouders erbij betrokken zijn, is dat beter dan wanneer alleen de
moeder de verantwoordelijkheid draagt voor de leerprestaties van elk van hun kinderen, zeker als men de kans op
doubleren wil verminderen (model 3). De resultaten tonen
echter aan dat vaders ten opzichte van moeders vaak minder efectief betrokken zijn bij het onderwijs van hun kinderen. Alle coëiciënten van model 5 zijn niet-signiicant.
Deze vaststelling komt door het kleine aantal vaders (vier
procent) die aangeven de hoofdverantwoordelijke te zijn
over het onderwijs van de kinderen.
268
CONCLUSIE
Causaal onderzoek naar de efecten van de betrokkenheid
van ouders op de leerprestaties van hun kinderen is schaars.
Dit onderzoek maakt gebruik van de geboortevolgorde als
instrumentele variabele om oorzakelijke efecten te schatten. Er worden positieve efecten van ouderbetrokkenheid
op leerprestaties geschat middels het mechanisme van de
geboortevolgorde. Bovendien vermindert de kans dat kinderen blijven zitten als beide ouders actief betrokken zijn
bij het leerproces. Deze bevindingen ondersteunen beleidsmaatregelen gericht op het stimuleren van ouderbetrokkenheid. Aanvullende beleidsmaatregelen kunnen worden
gericht op het stimuleren van de rol van de vader in het
leerproces van de kinderen. In dit verband toont onderzoek
in Duitsland aan dat de wetgeving rond ouderschapsverlof
een belangrijke rol speelt in de betrokkenheid van de partner bij de opvoeding van hun kinderen (Kluve en Tamm,
2010). Er is vervolgonderzoek nodig om dit voor Nederland na te gaan.
LITERATUUR
Angrist, J.S. en W.N. Evans (1998) Children and their parents’ labor supply: evidence from exogenous variation in family size. The
American Economic Review, 88(3), 450–477.
Angrist, J.S., G.W. Imbens en D.B. Rubin (1996) Identiication of
causal effects using instrumental variables. Journal of the American
Statistical Association, 91(434), 444–455.
Angrist, J.D., V. Lavy en A. Schlosser (2010) Multiple experiments
for the causal link between the quantity and quality of children.
Journal of Labor Economics, 28(4), 773–824.
Avvisati, F., B. Besbas en N. Guyon (2010) Parental involvement
in school: a literature review. Revue d’économie politique, 120(5),
759–778.
Becker, G.S. en L. Lewis (1974) Interaction between quantity and
quality of children. In: T. Schultz (red.), Economics of the family:
marriage, children, and human capital. Cambridge, MA: National
Bureau of Economic Research, 81–90.
Cabus, S.J. en R. Ariës (2014) What do parents teach their children?
– on birth order and performance gains in Dutch compulsory education. TIER Working Paper, 025.
Epstein, J.L. (1995) School/family/community partnerships: caring
for the children we share. Phi Delta Kappan, 76(9), 701–712.
Fan, X. en M. Chen (2001) Parental involvement and students’
academic achievement: a meta-analysis. Educational Psychology
Review, 13(1), 1–22.
Kluve, J. en M. Tamm (2010) Parental leave regulations, mothers’
labor force attachment and fathers’ childcare involvement: evidence from a natural experiment. Journal of Population Economics,
26(3), 983–1005.
Patall, E.A., H. Cooper en J.C. Robinson (2008) Parental involvement in homework: a research synthesis. Review of Educational
Research, 78(4), 1039–1101.
Phtiaka, H. (1996) Each to his own? Home-school relations in Cyprus. Forum of Education, 51(1), 47–59.
US Department of Education (2010) Parent power: build the bridge to
success. Washington, D.C.: US Department of Education, Ofice of
Communications and Outreach.
Jaargang 100 (4709) 7 mei 2015